Zomerfeest Iwan Koepala

Iwan Koepala (De dag van de zomerwonnewende) is een van de belangrijkste feesten van het Slavische volk, dat dateert uit heidense tijden toen het Koepala feest werd gevierd ter ere van de zonnegod.

Voor de verspreiding van het christendom werd het feest geassocieerd met de zomerzonnewende. Met het begin van het christendom werd het feest gewijd aan de verjaardag van Johannes de Doper op 24 juni, en in Rusland wordt het gevierd op 7 juli.

Iwan Koepala verheerlijkt de natuur: de zon (vuur), water en planten. Een groot aantal tradities en rituelen zijn daarop gebaseerd.

Vuur

In het midden van het vuur werd een paal gezet met een brandend wiel erop, als symbool voor de zon.

Het vuur heeft een reinigende kracht. Men danst er rond, springt er over: wie beter en hoger springt zal gelukkiger zijn. Jongeren en kinderen beginnen, nadat ze genoeg over het vuur gesprongen hebben, leuke spelletjes: tikkertje, touwtrekken, etc.

Water

Een belangrijke gewoonte van de zonnewende is baden: vanaf deze dag verdwijnen de boze geesten uit de rivieren. Volgens het bijgeloof is het water van de zonnewende rijk aan leven-gevende eigenschappen.
Op deze dag, volgens populair geloof, kan water "vrienden maken" met vuur. Het symbool van deze eenheid zijn brandstapels naast rivieren die branden in de nacht van Iwan Koepala. Daarnaast gaan mensen in deze nacht vaak wichelen; kransen maken en in de rivier gooien. Als een krans drijft, brengt dat geluk.

Een vrij algemeen midzomer-ritueel is het gieten van water op alle mensen.

Planten

Men gelooft dat gras, net als water, in de zomer magische krachten heeft.

De varen speelt op de dag van Iwan Koepala de hoofdrol van de plantenwereld, en is gekoppeld aan verhalen over verborgen schatten. De varen bloeit alleen een paar momenten in het midden van de nacht, en daarmee kun je alle schatten zien, zelfs als ze diep in de grond verborgen zijn.

Een ander symbool van de zonnewende is de bloem van Ivan-en-marja, die een magische eenheid van vuur en water symboliseert.

Alsem, St. Janskruid en brandnetel zijn de beschermkruiden, die meestal werden gedragen aan een riem.

Volgens de legende verplaatsen bomen zich in de nacht van Koepala, en praten ze met elkaar door het geritsel van bladeren. Ook dieren en kruiden praten met elkaar.

Op de plaats die gekozen wordt voor de festiviteiten zette men een boompje en versierde het met bloemen en gekleurde linten voor geluk.